De indeling van de
constitutietypes is ten dele gebaseerd op de soepelheid van de gewrichten.
Welke voorwaarde moeten we aan die veerkracht toekennen en hoe is de
gesteldheid van de gewrichten? Aan de hand van een zieke of een gezonde
gesteldheid kan beoordeeld worden tot welk type iemand kan worden gerangschikt.
De homeopaat bestudeert hoe iemand in elkaar zit en dit kan hij vaststellen
door de gewrichten elk afzonderlijk op te meten. Niet alle gewrichten blijken bij
ieder mens dezelfde soepelheid of stijfheid te hebben. Een vrouw is nogal vrij
soepel in haar gewrichten en dit hangt ook vaak samen met de hoeveelheden
follikelhormonen in haar bloed. Hoe buigzaam een gewricht is kunnen we
vaststellen door de arm met kracht te strekken.
-1- men vormt een
stompe hoek van minder dan 180 graden;
-2- bij een volledig
gestrekte arm krijgen we een hoek van 180 graden;
-3- wordt de arm
zelfs nog verder gebogen zo vormt hij dan een hoek, die groter is dan 180
graden.
Dit typeert de drie
types:
·
het eerste met stroeve gewrichten als het: ‘calcium
carbonicumtype’;
·
het tweede met soepele gewrichten als
het: ‘calcium phosphoricumtype’;
·
het derde met slappe gewrichten als het:
‘hydrofluoricumtype’.
De drie soorten
gewrichten stemmen dan overeen met de indeling van deze drie mensentypes en dit
vormt dan weer het uitgangspunt voor een verdere verhandeling.