Hoe kleiner de appel en hoe roodwangiger de buitenkant is, zoals bij een meisje bij wie de gezondheid op het gezicht geschreven staat, des te zoeter is ook de appel en des te beter ook het gemoed van het meisje. Hoe groener, harder en meer opgeblazen de appel is, des te meer lijkt hij op dat vrouwelijke wezen, dat bijna groen van woede en nijd opgeblazen rondstapt en als het ware niemand naast zich wil dulden! De appel was de eerste reden tot verleiding voor de eerste vrouw van de Aarde, en is als het ware het beeld voor haar hele geslacht gebleven. Hij drukt daarnaast ook het leven op deze Aarde uit: om tot inzicht in zichzelf te komen, moet de mens in het zweet zijns aanschijns zijn brood verdienen; worstelend met alle slechte neigingen en hartstochten moet hij zich ontwikkelen tot Zijn enig kind en dan pas, zijn missie beëindigend door bittere en zure ervaringen heen, als een ander, beter, geestelijker mens binnengaan in het leven aan gene zijde.
Wat bij de boom de bloesem is, dat is bij de mens zijn eerste ontwaken in het aardse leven. Hij kent dan nog geen leed, tot de meeldraden van het menselijk leven hem de eerste wonden toebrengen. Door deze kwetsuren wordt hij aangespoord tot oorlog en strijd met zijn eigen natuur en de hem omringende wereld. En zoals de kelkbodem van de bloesem zich sluit en innerlijke sappen vervolgens de vrucht doen groeien, zo sluit zich ook het jonge verwonde hart. Van binnenuit ontvangt hij als voeding de levenselementen van zijn eigen natuur en van buiten die van zijn ‘Moeder Aarde’. Zo wordt ook hij een bewaarplaats van goede en slechte, van zoete en zure hartstochten en eigenschappen; totdat hij uiteindelijk in de strijd met zichzelf het bittere heeft verwijderd en zijn hogere bestemming tegemoet gaat. En zoals bij de appel het celweefsel dat de pitten omgeeft de middelen tot verdere ontwikkeling van een andere boom in zich draagt, zo zijn het ook de goede eigenschappen die, de ziel als pit met hun bekleding omgevend en beschermend, de mens in staat zouden moeten stellen tot een reeks van hogere en grotere trappen van ontwikkeling.
(bron - Jakob Lorber - uit Scheppingsverhalen)