De geestelijke analogie van de appel is dat hij de vorm heeft van
onze Aarde, waarop hij zelf groeit en waaraan hij ook zijn ontstaan dankt. Appels
zijn verschillend van smaak, al naargelang in de grond waarop de stam groeit
salpeterzure substanties de wortels omgeven. Het komt dan ook voor, in die
gevallen waar appels aangezet worden tot een grotere dan hun gebruikelijke
omvang, dat ze in rauwe natuurlijke toestand niet tot het smakelijkste in het
eten behoren, vanwege de grote mate van zuur dat ze via de stam uit de aarde
hebben opgezogen. Ze verwerken in hun celweefsel het zuur wel door middel van
de zonnewarmte, maar helemaal laat zich dit niet verwijderen; het verdwijnt pas
bij het toebereiden als voedsel, door middel van vuur.
De
verdere geestelijke betekenis is voor het hele (menselijk) geslacht belangrijk,
omdat het juist een appel was die de Schepper als proef van gehoorzaamheid aan
de eerste mensen verbood te eten. Daarmee wilde Hij hun symbolisch zeggen:
“Bijt niet in deze zure appel, want jullie en het hele nakomende geslacht zullen
ervoor moeten boeten! Hij koos daartoe een appel - als symbool voor de Aarde -
die ook genoeg zuur voor haar toekomstige bewoners had opgeslagen. En het was
juist Eva die uitvoerde wat Hij haar wilde besparen: zij beet in de zoetzure
vrucht en liet zo aan haar hele geslacht het onder zoete gewaden verborgen zure
en bittere lijden na, waaraan het vrouwelijke geslacht tot aan het eind van het
leven is blootgesteld. Ook bij vrouwen geldt in het algemeen dat, hoe meer
opgedoft en opgeblazen ze voortstappen, hun gemoed des te meer zuur en bitter
herbergt; en ook zij zijn niet te genieten, totdat het sterke reinigingsvuur hen
met geweld het zuur ontneemt en ze daardoor voor de menselijke samenleving
verdraaglijker worden.
(bron - Jakob Lorber
- uit Scheppingsverhalen)