Hoe ontwikkelt zich een appel?
Wanneer je bloesem van een appel goed bekijkt dan zul je opmerken
dat deze behalve de witte bloesemblaadjes ook nog meeldraden en, in het midden daarvan,
het eigenlijke voortplantingsorgaan heeft. Zodra nu de bloesem de volledige
rijpheid nadert en als bloesem zijn laatste stadium bereikt, beginnen de
meeldraden als bevruchters zich met de fijnste sappen van de boom te vullen, en
dit sap wordt dan door het zonlicht vergeestelijkt. Vervolgens nadert het
moment waarop de meeldraden zich naar binnen buigen in de kelkbodem van de
bloesem, daar dit vocht loslaten en dan de kelkbodem ertoe aanzetten zich te
sluiten. De blaadjes van de bloesem vallen af, evenals de lange meeldraden; het
onderste deel van de bloesem sluit zich, en een uit het inwendige opstijgend
sap doet vervolgens langzamerhand dit afgesloten kapsel opzwellen en begint zo
de vrucht - de appel - te vormen. Op de plaats waar de ‘injectie’ door de
meeldraden plaatsvond, vormt zich allereerst het hoofddeel van de vrucht; dat
zijn de pitten. Om deze volledig te ontwikkelen trekken er voortdurend sappen
uit het inwendige van de boom ernaartoe. Die omringen de pitten om ze tegen
weersinvloeden te beschermen, maar voor een deel echter ook om ze voeding te
geven door middel van vocht dat in hun cellen is opgeslagen; totdat ze zichzelf
hebben ontwikkeld en zowel hun innerlijke als hun uiterlijke deel hebben
gevormd. De vele duizenden cellen die de pitten omgeven zijn dus de cellen die
steeds meer opgevuld raken, in grootte toenemen en zo de ‘kroon’ van de appel
vormen; en recht tegenover de kelkbodem is aan het uiteinde nog de inbochting
te zien waar de bevruchting plaatsvond.
Deze sappen verzamelen zich dus en worden door het licht en de
warmte van de zon ontdaan van de meeste zure stoffen: het waterige verdampt en
het overige wordt veranderd in stoffen met een meer zoete dan zure smaak. Dat
is dan de appel, die echter eerst nog een proces van oxidatie aan zijn
oppervlakte doormaakt, waardoor de schil wordt gekleurd aan diverse kanten die
naar de zon toegewend zijn. Zo geeft de schil al een verandering aan in de
inwendige substantie; deze zou, aangekomen bij het laatste punt van haar
ontwikkeling, alweer door ontbinding van haar elementen willen overgaan in
andere vormen.
(bron - Jakob Lorber
- uit Scheppingsverhalen)